Kanalenvraagstuk
Meer dan eens dook de droom op van een Demerkanaal. Dat scheepvaartkanaal moest economische voorspoed brengen voor heel Oost-Brabant, en zou tegelijk een einde maken aan overstromingsrampen. De eerste voorstellen dateerden uit 1829. In die plannen werd de Demer zelf gekanaliseerd. Dit verhaal gaat over de plannen van pakweg 100 jaar later. Waterbouwkundige ingenieurs dachten toen luidop na over de aanleg van een scheepvaartkanaal parallel aan de Demer.
Commissie der Brabantse Vaarten
De ontdekking van steenkool in de Limburgse Kempen in 1901 stimuleerde de verdere uitbouw van een transportnetwerk in het weinig ontsloten Hageland. Voor de export van de steenkool leken waterwegen een goede optie om in te investeren. In 1911 richtte toenmalig minister van Openbare Werken Joris Helleputte, de Commissie der Brabantse Vaarten op. Die kreeg als studieopdracht mee om een geschikt kanalentracé te selecteren voor een verbinding via het water tussen de Kempense steenkoolmijnen en het Brusselse Zeekanaal. Het ambitieuze kanaalproject, dat de naam Brabantkanaal meekreeg, verbond de grootsteden Leuven, Mechelen en Brussel, via Diest en Aarschot, met de mijnen in het Limburgse hinterland.
Het ‘Brabantse kolenkanaal’ zou grote overheidsinvesteringen vragen. Waar mogelijk konden bestaande waterlopen tot kanaal worden gemaakt om de kosten te drukken. Even overwogen de specialisten om de Demer zelf te kanaliseren. Maar die piste verlieten ze snel. In de plaats daarvan opteerden ze om een kanaal te graven parallel aan de Demer, met een kanaalbocht ten noorden van Aarschot. Het enthousiasme over de plannen voor het kanaal was groot in heel het Hageland. Het zou voor nijverheid en dus jobs zorgen.
Beeld: Regeringsvoorstel uit 1920. De dunne verticale dwarslijnen zijn stuwen. Van Caenegem zal twee jaar later een tegenvoorstel doen. Tekening uit Van Caenegems publicatie Het Kanalenvraagstuk in Noord-Oost-België, Hasselt 1922.
Limburgs kolenafvoerkanaal krijgt voorrang
Het kanalenvraagstuk nam in 1920 een stevige wending. In plaats van een Brabants kolenkanaal, werd de mogelijkheid onderzocht om een Limburgs kolenafvoerkanaal te realiseren. De export van steenkool zou niet langer via Brabant maar via Limburg lopen. Het zou Luik, via Genk, met de Antwerpse Schelde verbinden en zo de export van niet alleen de Limburgse maar ook de Waalse steenkool bevorderen. Bouwkundig ingenieur Jules Van Caenegem, die het later nog tot minister van Openbare Werken zou schoppen, publiceerde in 1922 een werk met daarin een uitgetekend tracé voor het Limburgse kolenafvoerkanaal. Na discussie in de Kamer en nadat hij in 1929 minister was geworden kreeg Van Caenegem groen licht van de regering om zijn kanalenplan uit te voeren. De naam van het kanaal? Het Albertkanaal.
Beeld: Jules Van Caenegem (rechts met das en hoge hoed) loopt langs koning Albert I, naar wie het Albertkanaal werd vernoemd. Bron: Jacques Hersleven, KIK-IRPA, 1929.
Intussen blies de provincie in 1925 de Commissie der Brabantse Vaarten nieuw leven in. De stedelijke overheden in Brabant waren namelijk nog steeds enthousiast over het Brabantkanaal en wilden het plan doordrukken. In de jaren die volgden werden er verschillende voorstellen van tracés uitgewerkt. De loop was telkens licht anders: parallel aan de Demer, via een alternatieve aanlooproute Vilvoorde-Herentals, langs Mechelen en Lier. Van Caenegem beschouwde het Brabantkanaal als een potentieel verlengstuk van het Albertkanaal. Beide kanalen zouden op termijn met elkaar kunnen worden verbonden, redeneerde hij.
Demerwatervang
Tijdens de werken aan het Albertkanaal sloeg de twijfel toe bij Van Caenegem over het tracé. Van een noordelijke route ging hij naar een zuidelijk tracé dat raakte aan de Demervallei bij Diest (Schaffen). Eén van de technische argumenten die hij aanhaalde was de ‘Demerwatervang’. Het zuidelijke tracé, dat nog 1 km van de bedding van de Demer verwijderd lag zou uitgestrekte ‘vangpanden’ krijgen, voor wateropvang, en de rechterflank van de Demervallei zou worden opgehoogd. Bijgevolg zou het nieuwe Albertkanaal bescherming bieden tegen overstromingen van de Demer.
Een droom, voorgoed opgeborgen?
Van Caenegems strijd voor een zuidelijk tracé was tevergeefs. Mede onder druk van Antwerpen viel de keuze in 1934 op het noordelijke tracé. Het Albertkanaal raakte voltooid in 1938. Een Brabantkanaal kwam er nooit. Het had weinig nut meer, gezien de reeds bestaande kanalen, en het was de investering daarom niet meer waard. Het vraagstuk van optimale watervang in de Demervallei en preventie tegen overstromingen, bleef wel doorleven.