Overstromingsbeheer
Een rivier overstroomt. Dat is een natuurlijk proces. De Gete, de Demer en de Dijle zijn laaglandrivieren. Ze stromen door een relatief laaggelegen gebied en zijn daardoor gevoeliger voor overstromingen. Er is weinig neerslag nodig om het waterpeil zodanig te verhogen dat de rivieren buiten hun oevers treden. De ideeën over hoe om te gaan met die overstromingen zijn in de loop van de voorbije 6 eeuwen grondig gewijzigd.
Middeleeuwen: in alle seizoenen
Uit laatmiddeleeuwse bronnen blijkt dat de rivieren ’s winters haast ieder jaar overstroomden, maar het gebeurde ook in andere seizoenen. In februari 1416 bijvoorbeeld werd Zoutleeuw zwaar getroffen. Overstromingen zorgden voor schade aan watermolens en bruggen. De molen van Eliksem, op de Kleine Gete, raakte op een periode van 124 jaar – tussen 1370 en 1503 – gemiddeld om de drie jaar beschadigd.
Voor boeren waren de winterse overstromingen doorgaans een goede zaak. Als het water wegtrok, bleef een vruchtbaar laagje slib achter op de beemden. Dat zorgde voor sterk gras en goed hooi. Voorwaarde was wel dat het water wegtrok voor het gras begon te groeien. Overstromingen tijdens de zomermaanden waren minder graag gezien. Die brachten de oogst in gevaar.
Beeld: Vooral in de winter kwamen grote delen van de vallei blank te staan, bijvoorbeeld aan de Demer in Messelbroek. Kaart van Jamez (c. 1750). Österreiches Staatsarchiv, Kriegsarchiv, B VIII b10.
Vroegmoderne tijd: gebrekkig onderhoud
Tijdens de vroegmoderne periode werd veel oorlog gevoerd in Oost-Brabant. Het bevolkingsaantal nam sterk af, de armoede nam toe. (Duur) waterbeheer was geen prioriteit. Rivieren, dijken en sluizen werden niet goed onderhouden en grachten werden niet geruimd. Daardoor nam de wateroverlast toe. Een dichtgeslibde gracht kon geen water afvoeren bij een overstroming, en een niet herstelde dijk verloor zijn functie.
De situatie verbeterde onder het bewind van de Habsburgse keizerin Maria-Theresia (1740-1780). Zij centraliseerde de waterbevoegdheden. Voortaan nam de staat, eerder dan enkele privépersonen, beslissingen over belangrijke infrastructuurwerken aan de bevaarbare waterwegen. De overheidsfilosofie werd ‘rechttoe rechtaan’: een rechtere vaarroute creëren voor de schepen om transport sneller, gemakkelijker – dus goedkoper – en veiliger te maken. De meanders van de bochtige Demer en Dijle werden afgesneden. Dat een rechtgetrokken rivier sneller water afvoerde en zo de kans op overstromingen verkleinde, werd als een bijkomend voordeel gezien.
19de eeuw: verdere rivieraanpassingen
In de loop van de 19de eeuw werden de Demer en de Dijle verder bedijkt, bestaande dijken werden er verhoogd. Zo konden ze in theorie een groter volume water bergen. Dat was nodig, want de gronden naast de rivier deden onder andere dienst als akkerland. Dat zagen de boeren liever niet overstromen. De dijken hadden niet altijd het gewenste effect. De Dijle trad alsnog geregeld buiten haar oevers, met zelfs grote overstromingen in februari en augustus 1850, in 1860-1861, begin januari 1879, in januari 1891 na plotse dooi en in de winter van 1905-1906.
20ste eeuw: waterveiligheid boven
Toen de scheepvaart op de Dijle en de Demer wegviel, verschoof de focus van waterwegbeheerders volledig naar de beheersing van waterkwantiteit. Een snelle afvoer van water naar de zee, was het allerbelangrijkste. Werken aan de rivieren kaderden in die filosofie. In de Demer- en de Getevallei overwoog de Dienst Waterwegen en Zeekanalen in de jaren 1980 de bouw van betonnen wachtbekkens om overtollig water tijdelijk te bufferen op de laagste punten in de vallei.
Beeld: Dringende herstellingswerken aan de Dijledijk ter hoogte van Rijmenam in juni 1965. Men gebruikte bussels gevlochten rijshout, per schip aangevoerd. Nog geen jaar later, in januari 1966, zou de Dijle er toch overstromen. Heemkundige kring ‘t Hoefijser Rijmenam, collectie Alice Dewinter.
Vandaag: kentering in het overstromingsbeleid
Ondanks de investeringen in waterveiligheid en de verhoogde waterbuffercapaciteit van de rivieren is de overstromingsproblematiek niet van de baan. In zekere zin is hij zelfs acuter. De bebouwing in de valleigebieden – zowel woningen als industrie – is sterk toegenomen. De kans op schade is dus vele malen groter dan pakweg 100 jaar geleden. Tegelijk is het besef gegroeid – onder andere door de grote overstroming van 1998 – dat het waterbeheer anders moet om de waterveiligheid te vergroten: niet indijken, maar plaats geven, niet recht trekken, maar laten meanderen. De natuurlijke relatie tussen de rivier en haar vallei wordt in de mate van het mogelijke hersteld. Zo kan de vallei als een soort spons overtollig water absorberen. Kortom, liever dan via de snelste weg naar zee, stroomt het water traag door de vallei.