Paling voor de abt

Vallei- verhalen

Paling voor de abt

Sinds de middeleeuwen stond vis minstens wekelijks op het menu. Er was immers een kerkelijk verbod om op vrijdag en tijdens de vastenperioden vlees te eten. Aan zee was dat zoutwatervis, in het binnenland zoetwatervis zoals snoek, karper en paling.

Paerelinck Broeck. ARA. Centrum Agrarische Geschiedenis.

Paling kwam veel voor in de uitgestrekte valleien van de Demer en de Laak. De modderige binnenbochten van de traag stromende meanders en de bodems van de vele beken en grachten waren de perfecte omgeving voor glasaaltjes die aan zee vertrokken en in de rivieren uitgroeiden tot palingen. Eén van de broeken langs de Laak in Werchter-Tremelo heette het ‘Palingbroek’.

Bijschrift: Het ‘Paerelinck Broeck’ langs de Laak te Werchter-Tremelo, op de wandkaart van de baronie Rotselaar uit 1767. Algemeen Rijksarchief, Archief van het Arenbergpaleis, Kaarten, nr. 2849.

'Poeren'

Overdag verbergt paling zich voor zijn vijanden in de modder van beken en grachten en de oevers van de rivieren. In de winter en bij lage waterstand graaft hij zich in. Tot diep in de 20ste eeuw werd in de beken en grachten paling gevangen door ‘poren’ of ‘poeren’. Een ‘poer’ was een lijn met onderaan een tros geregen aardwormen, die waren bevestigd aan een stok die op en neer werd bewogen. De vislijn zelf was bij voorkeur gemaakt uit wollen breigaren, zodat de paling er met zijn tanden in bleef vasthaken. Eenmaal aan de haak, leerde ervaring om de paling op gevoel en vooral rustig op te halen. Uit voorzorg en om een ontsnappings-poging te voorkomen, bevestigden sommigen in de 20ste eeuw onderaan hun vislijn een omgekeerde paraplu en een jute zak. De paling, een erg gladde vis, viel eerst door de paraplu – na het nodige geschud – en vervolgens in de jute zak. Tijdens de trek naar zee, tussen augustus en december, werd ook ’s nachts paling gevangen. Dan kruipen palingen immers buiten het water, over vochtige graslanden, richting de zee.

Bron: lemmata 'poeren' en 'vissen' uit het ABC van de Demervallei.

Stilleven met vissen. Rijksmuseum Amsterdam. Centrum Agrarische Geschiedenis.
Clara Peeters, Stilleven met vissen, zeevruchten en bloemen, ca. 1612-1615. Rijksmuseum Amsterdam: https://id.rijksmuseum.nl/20026022

Sluizen

Molensluizen vormden een lastige hindernis. De dikke, paairijpe paling bleef rondzwemmen achter de sluis tot die werd opgetrokken. Sluizen waren dan ook lange tijd een geliefde vangstplek – maar geprivilegieerd, omdat molens in handen waren van adel, kerk of andere notabelen.

De abt van Averbode bezat in Testelt het visrecht in heel de Demer van aan zijn molen tot aan de grens met Langdorp. De huurder van dat visrecht moest de abdij elk jaar 600 palingen leveren. Maar de rijkste vangstplek was de watermolen zelf. “Op zaterdag eten we [= de abt] gewoonlijk paling van onze molen van Testelt”, zo schrijft de abt in 1380. Iedere donderdag of ten laatste vrijdagmorgen moest de molenaar-pachter 23 tot 30 stuks leveren, met een contractueel vastgelegde hoeveelheid van jaarlijks 1200 palingen. Lukte dat in een bepaalde periode niet, dan ging de abdij de paling elders kopen - op rekening van de molenaar.

Miniatuur paling in fuik. Londen, British Library. Centrum Agrarische Geschiedenis.
Watermolen met achter de sluis, twee fuiken. Een paling zwemt in de fuik uiterst rechts. Miniatuur in het Luttrel psalterium, begin 14de eeuw. Londen, British Library, Add MS 42130, f 181r.
Demerprotest 1971. VRT. Centrum Agrarische Geschiedenis.

Uitgevist?

In de 20ste eeuw kwam er, in het bijzonder van dure restaurants uit Brussel en Leuven, veel vraag naar paling uit de Demer. Die had intussen een ongeëvenaarde reputatie in Vlaanderen. Het visrecht voor de commerciële palingvangst werd bijgevolg per opbod verkocht aan de hoogste bieder, en per stuk van de Demer verpacht voor de duurtijd van 1 jaar. Maar vanaf de late jaren 1950 was het water van de Demer dermate vervuild (of vergeven, zoals men in de volksmond zei) dat de paling geleidelijk verdween. Ook andere vissoorten in de Demer stierven uit of zochten andere, gezondere oorden op. De Demervervuiling werd mede veroorzaakt door industriële activiteiten stroomopwaarts. Langs de Grote Gete loosde bijvoorbeeld de suikerraffinaderij van Tienen afvalwater. Dat zorgde voor een tekort aan zuurstof in het rivierwater, waardoor ook de vissen massaal kwamen bovendrijven. Dit tafereel deed zich specifiek voor tijdens de bietencampagne (vanaf oktober). Wie er in de herfstmaanden snel bij was, kon de naar lucht happende vissen uit het water scheppen, in een ton met vers water zetten en alsnog opeten.

Bijschrift: In 1971 betoogde inwoners van Aarschot tegen de vervuiling van de Demer, met o.a. deze pancarte. ©VRT. Tv-reportage via SADA (Stedelijk Archief en Documentatiecentrum Aarschot) en rechtstreeks hier te bekijken.

Demer Rotselaar. Bart Heirweg. Centrum Agrarische Geschiedenis.

Vandaag leeft de Demer weer: de waterkwaliteit is sterk verbeterd, onder andere door het Sigmaplan. Er worden opnieuw 25 vissoorten geteld, waaronder naast snoek en meerval ook paling. Die paling consumeren is voorlopig nog geen goed idee. De vis slaat immers afvalstoffen op in zijn vetreserves. Omdat de tocht van de kleine glasaaltjes vanuit de zee naar de rivieren – waar ze uitgroeien tot palingen - moeilijk is geworden door sluizen, maar ook pompgemalen en andere installaties, worden ieder jaar glasaaltjes rechtstreeks in de Demer uitgezet.

Bijschrift: Demer bij Rotselaar (Heikant). Fotografie Bart Heirweg.

Auteurs: Bart Minnen en Eline Lathouwers