Vee in de vallei

Vallei- verhalen

Vee in de vallei

In de periode van de 11de tot de 13de eeuw nam de bevolking sterk toe. In de valleien van de Gete, de Demer en de Dijle werden daarom steeds meer woeste gronden in cultuur gebracht. Bossen werden gerooid en tot akkers gemaakt. Voor weidegronden weken de boeren uit naar de valleien. Van de broekbossen daar maakten ze hooiweides. Lange tijd zagen die er halfwild uit: naast gras was er ook opschietend kreupelhout en andere vegetatie. Maar het gras was van goede kwaliteit. Het was ideaal voer voor de groeiende veestapel die 's winters op stal stond. De stalmest  kwam dan weer de akkerbouw ten goede. Maar ook de landbouwers die eigen vee bezaten, deden er hun voordeel mee. Het surplus van vee  de afgeleide producten zoals leer, vlees en zuivel, verkochten ze in de steden. Daar nam de vraag immers toe. De beemden werden zo een belangrijke pijler van welvaart in de valleien, ook al konden alleen de grootste landbouwbedrijven daarvan profiteren.

Gravure met zicht op Aarschot. Rijksmuseum Amsterdam. Centrum Agrarische Geshiedenis.
Zicht op Aarschot en de Demervallei vanuit het noorden, ca. 1660. Gravure van Pieter Hendricksz Schut in: Nicolaas Visscher, Theatrum praecipuarum urbium ducatus Brabantiae, Amsterdam, 1660.
Oorkonde Neerlinter. Rijksarchief Leuven. Centrum Agrarische Geschiedenis.

Runderen 

Vooral de runderteelt was in grote mate afgestemd op de stedelijke markt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een oorkonde uit 1263 uit Neerlinter, in de vallei van de Grote Gete. Die geeft een mooi overzicht van alle dieren die in het dorp werden gehouden. Dat waren paarden, runderen, schapen, geiten, varkens, en gevogelte, kippen, ganzen en eenden.

De oorkonde gaat over 'de tiende': een kerkelijke belasting die in principe één tiende bedroeg van de opbrengst van landbouwproducten. Dorpelingen die rundvee aankochten om het op hun weiden te laten ‘vetten’ en vervolgens te verkopen, of die hun eigen runderen lieten grazen voor rekening van derden, zoals beenhouwers uit de stad, moesten 1/12de van de waarde van het afgegrazen gras betalen. Hoe die hoeveelheid werd vastgesteld, is niet duidelijk. Gras dat diende om runderen te laten overwinteren of om runderen vet te mesten voor eigen gebruik werd niet belast. Zo werden armere boeren gespaard.

Beeld: Oorkonde over Neerlinter uit 1263. Collectie Rijksarchief Leuven, Kerkelijke archieven van Brabant, archief van de abdij Maagdendal.

Grote alleenstaande hoeves, zoals het Hof te Rode in Zoutleeuw en het Hof van Veldonk in Tremelo, produceerden al vroeg grote hoeveelheden kaas en boter. De zuivelproducten uit de Gete- en de Demerstreek waren erg gegeerd. Zo kwamen er in de 15de eeuw Linterse kazen op de markt in Leuven. 

Varkens en geiten

Varkens en geiten werden zo lang mogelijk geweid in bossen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in het Broek van Wezemaal (het latere Kloosterbos) in de vroege 13de eeuw. Op grote hoeves kon het aantal varkens hoog zijn: in 1296 stuurde het Hof te Rode een kudde van 75 varkens en biggen naar de abdij van Park.

Schilderij van Valckenborch. KU Leuven, Dienst Kunstpatrimonium. Centrum Agrarische Geschiedenis.
Het gras droogt en de boeren hooien op de beemden langs de Dijle aan het kasteel van Heverlee, rond 1600. Bomen en struiken doen dienst als omheining voor het vee. Maarten van Valckenborch (1535-1612), Rivierlandschap met hooiende boeren en zicht op kasteel van Heverlee, ca. 1600. Bewaarplaats onbekend; foto KU Leuven, Dienst Kunstpatrimonium.

Voor varkens golden strikte regels over waar ze wanneer te hoeden waren. Ze werden zoveel mogelijk uit de beemden geweerd. Ze konden ook veel schade berokkenen aan moestuinen en akkers. In de lente mochten ze vrij rondlopen op de gemene weiden en wegen. Maar ze moesten een neusring dragen en een houten driehoek om hun hals. Zo konden ze de grond niet omwoelen of door een omheining van struiken breken. Toch bleef er gevaar: in 1565 werd een varken terechtgesteld dat een kind had gedood. Van juli tot en met september moesten ze op het erf blijven. In de herfst liepen ze onder de eiken of beuken en aten ze de vruchten. 's Winters hield men ze in het ‘varkenskot’.  Wie zich niet aan de regels hield werd gestraft. In 1404 werd een man beboet die vijf varkens had laten loslopen in Helen-Bos.  Wie zijn varkens niet op het eigen erf kon houden, moest ze toevertrouwen aan een gemeenschappelijke varkenshoeder.

Schapen 

De opvallendste verschijning in de valleien in de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd waren grote kuddes schapen. Ze zwierven in de heidezones ten noorden van de valleien van Demer en Dijle, maar ook in de beemden van de Demer- en de Getevallei. Dat had alles te maken met de grote en permanente vraag naar lokale wol voor kleding.

wolververs. British Library. Centrum Agrarische Geschiedenis.

In de geschiedschrijving over de middeleeuwse stedelijke economie in Oost-Brabant gaat de aandacht vooral naar de productie van en handel in hoogwaardige lakenstof. Voor dat luxeproduct, dat naar heel Europa werd geëxporteerd, werd Engelse wol gebruikt. Zoutleeuw speelde vroeg in op die luxenijverheid. Al in 1242 waren er Leeuwse wolhandelaars actief in Engeland. Maar de vraag van de inlandse bevolking naar kleding was vele keren groter. Die kledij werd zowel thuis als in de stad geproduceerd met inlandse of ‘hierlandse’ wol. Over de Demer in Aarschot passeerden dan ook schepen met zowel Engelse als inlandse wol. 

Beeld: Wolververs, British Library Royal MS 15.E.iii, f. 269 (1482).

Ook in het Getegebied kwamen grote kudden schapen voor, onder meer in Hakendover, Laar en Zoutleeuw (Hof te Rode). De Abdij van Maagdendal liet bijvoorbeeld 300 schapen grazen op de weides van de heer van Neerlinter. De Abdij hief er ook de tiendebelasting. dat betekende dat ze recht had op elke tiende vacht van andere kuddes schapen. Ze vergoedde de wolscheerders, die 1/10de van hun volume verloren, met de prijs van de gederfde vellen. In de tweede helft van de 14de eeuw werd tussen Budingen en Zoutleeuw onder meer tol geheven op kudden schapen die de brug van Budingen overstaken. 

De omvang van de schaapskuddes piekte in de 13de - 14de eeuw toen de lakennijverheid in de Oost-Brabantse steden hoge toppen scheerde. De langdurige oorlogstoestand vanaf 1568 was rampzalig voor de schapenteelt.

Auteur: Bart Minnen