Vuil water

Vallei- verhalen

Vuil water

Vervuild rivierwater is van alle tijden, of toch zeker sinds de middeleeuwen. Ambachtslieden zoals leerlooiers en wolververs gebruikten het water van de Gete, de Demer en de Dijle om hun goederen te produceren. En ze loosden hun afvalwater opnieuw in de rivieren. Ook dierlijke mest, kadavers en slachtafval belandden in de rivier. Vanaf het midden van de 19de eeuw zorgde de industrie voor bijkomende vervuiling. Na WOII werd watervervuiling steeds meer als een probleem gezien. De zorgen om de impact van de vervuiling op mens, dier en leefmilieu groeiden. Maar duurzame oplossingen waren niet voor meteen.

'De Gete heeft altijd zo wel iets gehad voor een makkelijke dumpplaats voor afval. Ja. Mensen die ergens iets van af wouden en dat ging van dode dieren tot iets anders'. - Wim uit Linter

Wettelijk kader

Op 11 maart 1950 werd een wet gestemd op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging. Er kwam een bovengemeentelijke waterzuiveringsstructuur per rivierbekken en het principe ‘de vervuiler betaalt’ werd ingevoerd. Het betalen was in de vorm van zuiveringsstations. De wet vond moeizaam ingang. Politici waren terughoudend om winstgevende industriële bedrijven – bovendien grote werkverschaffers in de streek - extra kosten en/of boetes op te leggen. Gemeenten bleven bevoegd voor het toekennen van lozingsvergunningen en stonden in voor het onderhoud van rioleringen en zuiveringsinstallaties. Dat waren bevoegdheden die niet door iedere gemeente even bevlogen werden uitgeoefend. Want ook gemeenten en steden loosden vaak ongezuiverd huishoudelijk afvalwater in beken en rivieren.

kaart Wagemans. Referentietoestand van waterlopen. Centrum Agrarische Geschiedenis.

Industriële vervuilers

De Demer had op minstens twee plaatsen instroom van vuil water. De bovenloop kreeg vervuild water te slikken vanuit de Gete. De suikerraffinaderijen van Tienen en Hoegaarden loosden onder andere waswater van suikerbieten ongezuiverd in de Grote Gete. Ook de Tiense Citrique Belge vervuilde. Die fabriek produceerde citroenzuur, en deed dat vanaf 1950 op basis van melasse. Dat was – is – een restproduct van suikerproductie. De productie zorgde voor organisch afvalmateriaal in de Gete. Nog andere boosdoeners waren de gelatinefabriek in Hasselt en de brouwerij in Alken. Via zijrivieren als de Herk liep hun vuil water in de bovenloop van Demer. De benedenloop van de Demer leed onder het afvalwater van de chemische industrie in Tessenderlo, via zijrivier de Hulpe. Het vuile water van de Demer vervuilde op zijn beurt uiteraard dat van de Dijle.

Beeld: Kaart Wagemans (1932) over waterverontreinging uit publicatie Stabel, Annemie. Referentietoestand van waterlopen van het Vlaamse gewest op basis van historische gegevens: macrofyten, vissen, diatomeeën, fysische structuur. Brussel: AMINAL, 2002, p. 33. Rode lijnen geven de toenmalige waterkwaliteit van de rivieren aan. volle rode lijn = gedurig bevuild vak  |  rode stippellijn = tijdelijke, toevallige of seizoensbevuiling. Rood bolletje staat voor rioollozing (huishoudwater), terwijl zwart bolletje verwijst naar vervuilende nijverheidslozing.

Citrique Belge. CAG beeldbank. Centrum Agrarische Geschiedenis.

Oplossing gezocht

Dat de wet niet veel weerklank vond, betekende niet dat er niet werd gezocht naar manieren om afvalwater te zuiveren. In 1951 bouwden ingenieurs een pilootstation voor waterbehandeling in Tienen. Eind jaren 1950 gooide men het over een andere boeg. Met tankwagens en tractoren werd een deel van het vervuilde water over velden en weiden gesproeid. Kalkvijvers vingen gipswater op, ook één van de afvalproducten van suikerproductie. De rest van het water werd via een pijpleiding afgevoerd naar de Grote Gete. Het sproeien bleek geen duurzame oplossing en de vijvers veroorzaakten geurhinder. In 1963 suggereerden ingenieurs de bouw van een absorptieput. Die kwam er nooit, onder meer uit vrees voor contaminatie van het drinkwater. In de jaren 1970 verrees er een groot verdampingsstation vlakbij de citroenzuurfabriek, maar dat verwerkte slechts een deel van het afvalwater. De rest belandde dus alsnog in de Gete.

Beeld: Ansichtkaart fabrieksgebouw La Citrique Belge, circa 1931-1960, Hagelands Historisch Documentatiecentrum en Stadsarchief Tienen. Beeldbank CAG.

Stortplaatsen

Ook heel wat huishoudelijk afval en kadavers belandden in de rivieren. Drooggevallen meanders, zogenaamde coupures, van de Demer en de Dijle waren andere populaire stortplaatsen. Buurtbewoners brachten hun afval in kruiwagens en kieperden ze daar leeg. Hoeveel stortplaatsen er precies waren, is moeilijk te achterhalen. Gemeenten namen de coupure-storten over in de jaren 1970. Ze loosden er opgehaald afval dat regelmatig werd opgebrand. In de jaren 1980 steeg de vraag naar stortplaatsen nog, onder andere aannemers wilden bouwafval en grondoverschotten kwijt. In 1981 werd OVAM, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, opgericht om de stortproblematiek aan te pakken. De stortplaatsen werden afgedekt en zijn zo onzichtbaar geworden in het landschap. Sommige werden gesaneerd, andere niet.

 

'Ik heb zelf nog als kleine pagadder met mijn grootouders vuil gaan wegdragen naar het coupure van het kasteel van Rivieren. Mensen brachten hun afval daar zelf naartoe. Meestal werd dan een vuurtje aangestoken en dan was dat zogezegd weg, maar dat was gebruikelijk'. - Luc uit Gelrode

Coupure stortplaats. collectie ADW. Centrum Agrarische Geschiedenis.
Coupure van de Dijle (gebruikt als stortplaats in Rijmenan). Foto 18 april 1977. Heemkring 't Hoefyser Rijmenam. Archief ADW.

'Wij gingen elke zaterdag met een kruiwagen, met lege blikjes, alle afval eigenlijk, want er was geen vuil ophaling hé. ... Elke burger in Rijmenam ging naar één van de stortplaatsen. En bij ons was de dichtstbijzijnde stortplaats die coupure aan de Dijle zonder nadenken. Ik kan mij niet meer herinneren dat ik er ook maar scrupules over had. Dat is later allemaal veranderd natuurlijk. Maar ja, dat was gewoon. En wij gingen gewoon met een kruiwagen over den Dijledijk en dan kiepten we dat om en terug naar huis'. - Arie uit Rijmenam

Protest

De gevolgen van de industriële vervuiling en de huishoudelijke stortingen waren na WOII voor iedereen duidelijk. Buurtbewoners herinneren zich vandaag nog de rare kleuren van de Grote Gete uit hun kindertijd: grijs, (chocolade)bruin of melkwit. Soms was de geurhinder zo sterk dat ramen en deuren beter gesloten bleven. Boeren hielden op veevoeder te maken met water uit de Demer. Er waren heel wat gevallen van dieren die stierven. Op de Demerbroeken, die regelmatig overstroomden, graasden geen dieren meer uit gevaar op vergiftiging. Het hoogtepunt van de vervuiling viel tijdens de bietencampagne in oktober. Dan was de bedrijvigheid in de suikerraffinaderijen en de Citrique het grootst. De Demer kleurde zwart, dreef vol pulp en schuimde. Te weinig zuurstof en teveel fosfor maakten dat vissen bovendreven en massaal stierven.
 

Tip! Volg luisterwandeling 'De Grote Gete Bruggenwandeling (Linter)', en beluister 'Het buurmeisje van de Geensmolen' i.h.b. voor een persoonijke getuigenis over riviervervuiling. 

 

Voor het Demerlijnvissersverbond was in 1953 de maat vol. Het organiseerde een protestmars in Aarschot. Het schreef de Hoegaardse suikerfabriek aan en de burgemeester van Tienen. De Aarschotse vissersvereniging riep de hulp in van Fernand Hermans, politicus in Diest en volksvertegenwoordiger. Hij had reeds herhaaldelijk de slechte kwaliteit van het Demerwater aangeklaagd en de gevaren voor de volksgezondheid benadrukt. Mensen konden hun huizen niet naar behoren verluchten door de stank. Ze gebruikten geregeld Demerwater om te poetsen en te wassen. In 1959, na een nieuwe protestmars, beloofde de minister van Volksgezondheid werk te maken van de bouw van zuiveringsstations. Maar vijf jaar later was daar nog niets van in huis gekomen.

protestslogan. Gazet van Antwerpen. Centrum Agrarische Geschiedenis.

De Demerstreek was het ‘beu om met de knijper op de neus te lopen’. Als reactie op de aanhoudende stank en vervuiling kwam er in 1964, op initiatief van verschillende Demergemeenten, een actiecomité Gete & Demer tot stand. Dat organiseerde hetzelfde jaar een protestkaravaan van meer dan 200 auto’s die van Halen naar Aarschot reden.

Beeld: uit persartikel 'Protest Demer- en Getedal', Gazet van Antwerpen, 14 september 1964.

In de bres voor het leefmilieu

Het aantal actiecomités nam in de periode 1970-1990 toe. Niet alleen in Oost-Brabant, maar overal waar rivieren vervuild waren, trad natuurbehoud stilaan op het voortoneel. Dat gebeurde heel geleidelijk en bottom-up.

In 1971, na opnieuw sterk geurhinder, startten drie jonge Aarschotse politici het actiecomité ‘SOS-Demerpest’. Een protestmotie raakte gestemd en een staal rivierwater werd geanalyseerd. Het Demerwater was in hoge mate bacteriologisch en organisch vervuild. Na de samenvloeiing in Halen bereikte het zuurstofgehalte in het Demerwater een dieptepunt: het biologische leven had het er zwaar. Bij een nieuwe protestmars in de straten van Aarschot werd gehamerd op de gevolgen voor het ruimere leefmilieu, en de bedreiging die het vuile water vormde voor de fauna en flora in de Demervallei.  Daarnaast werden nadelige gevolgen voor streektoerisme en voor de volksgezondheid aan de kaak gesteld.

Riviervervuiling. Demer Diest. Centrum Agrarische Geschiedenis.

Kentering in het beleid

Ondanks het vele protest duurde het tot begin jaren 1990 vooraleer het Vlaamse rivierbeleid structurele wijzigingen onderging.

Na een hervorming bij de Vlaamse regering ontstond in 1991 AMINAL of voluit: de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer. AMINAL schoof de oude sectorale aanpak van waterbeheer opzij en organiseerde bekkencomités. Dat waren brede consultatiefora die de verantwoordelijken van verschillende waterweginstanties binnen één rivierbekken bij elkaar brachten. Bekkencomité Demer werd in 1991 als eerste gesticht. Het focuste op waterbeheersing, maar ook op de kwaliteit van het rivierwater, op ecologie én het investeerde in waterzuiveringssystemen. De jaarlijkse bekkenbeheerplannen moesten de Demer weer gezond maken.

Beeld: Vuil water in de Demer bij Diest, 1982. KADOC-KU Leuven. Beeldarchief Het Volk. 627.

Zuiver water

De holistische of integrale wateraanpak werd geconsolideerd met het decreet Integraal Waterbeheer uit 2003, dat er kwam onder impuls van de Europese Kaderrichtlijn Water uit 2000. Europese lidstaten werden verplicht hun waterlopen te beschermen en waar nodig te herstellen. Vandaag wordt er meer dan ooit aandacht gevraagd voor zuivere waterlopen, ook bij het brede publiek. Denk maar aan de Week van het Water en ludieke evenementen zoals een Big Jump.  

Auteur(s): Eline Lathouwers en Bert Verheyden; met veel dank aan Arie Geens, Wim Sprimont, Marie-Louise Vanderlinden en Luc Vervoort.

Week van het Water. VMM. Centrum Agrarische Geschiedenis.
© VMM. zie voor meer info: https://weekvanhetwater.be/